Afvoer voor hoogbouw toegelicht
Uitgangspunten
Akatherm afvoersystemen voor hoogbouw maken gebruik van één PE standleiding met Akavent T-stukken. De Akavent standleiding T-stukken breken de val op elke verdieping waardoor de snelheid wordt verminderd. De ontspanningsleiding wordt hierdoor overbodig en het drukverschil blijft ruim binnen de 30 mm W(ater)K(olom).
Door de unieke vormgeving neemt de afvoercapaciteit van de standleiding toe. De afvalwaterstroom van hoger gelegen verdiepingen wordt namelijk geleidelijk met de stroom van lager gelegen verdiepingen samengevoegd. Wanneer de aansluitingen op verdiepingen worden uitgevoerd met snapmoffen, zijn ook trekvaste overgangen op andere materialen mogelijk.
Het Akavent principe: Akavent installatiefilm:
- Het Akaventsysteem ontwerpen
-

Een Akatherm vuilwaterafvoersysteem voor hoogbouw heeft geen beperking in hoogte, de afmetingen worden slechts bepaald door het aantal en soort van toestellen dat wordt aangesloten. Het Akaventsysteem wordt bij
voorkeur altijd uitgerust met één Akavent per verdieping per standleiding.
Volg de richtlijnen in ons Technisch Handboek om het Akaventsysteem voor hoogbouw te ontwerpen. Gedetailleerde berekeningen en voorbeelden hiervoor vindt u in de download area.
Het basis Akaventsysteem voor hoogbouw bestaat uit de volgende elementen:
- Akavent T-stuk op elke verdieping
- een standleiding met standaard Akatherm buis en fittingen
- een ontluchtingsleiding door het dak in dezelfde diameter
- een ontluchtingsleiding 1e verdieping
Akavent T-stuk in de standleiding
Op elke verdieping met een vuilwater-aansluiting dient een Akavent standleiding T-stuk geplaatst te worden. Wanneer de afstand tussen twee Akavent standleiding T-stukken groter is dan 6 m dient er een dubbele sprong in de standleiding geplaatst te worden (zie figuur rechts).
Akavent standleiding zone verdeling
Indien het gebouwontwerp meer dan één standleiding vereist of dat de maximale capaciteit van een enkele standleiding wordt overschreden, dan moeten de verdiepingen verdeeld worden over meerdere Akavent standleidingen.
De Akavent standleiding verslepen
Het is alleen toegestaan de as van de Akavent standleiding te verslepen zonder vereffeningsleiding indien de overgang wordt uitgevoerd volgens de figuur rechts.
De hoek van de sprong moet 45° of kleiner zijn en de sprongleiding moet 1,5 m of korter zijn. Binnen 0,5 m boven de sprong en 1,0 m onder de sprong mag geen aansluiting plaatsvinden.
Kan de as van de Akavent standleiding niet versleept worden volgens deze overgang, dan moet de sprong voorzien zijn van een vereffeningsleiding. De vereffeningsleiding moet ontworpen worden volgens de figuur aan de rechterzijde.Indien er verzamelleidingen aangesloten moet worden, kan dit op de vereffeningsleiding. Deze wordt dan een omloopleiding genoemd. Voor de omloopleiding gelden aansluitvrije zones zoals ook aangegeven in de figuur hier rechts. De vereffeningsleiding of omloopleiding dient dezelfde diameter te hebben als de standleiding.
Verdiepingsaansluitingen
De maximale lengte voor een onbeluchte verdiepingsaansluiting (of verzamelleiding) is 4 m onder een hoek van minimaal 1,0% (1:100) met maximaal drie 90°-bochten. Daarnaast moet de verdiepingsaansluiting gedimensioneerd worden volgens de NTR 3216.
Verdiepingsaansluitingen die boven deze grenzen komen, dienen via een secundaire ontspanningsleiding aangesloten te worden op de standleiding. De aansluiting dient onder 45° naar beneden gericht te zijn zoals de figuur hier beneden toont.
Aansluitleidingen zijn leidingen die zijn verbonden op één enkel lozingstoestel en worden aangesloten op de verdiepings-aansluiting. Volgens de EN 12056-2 is de maximale onbeluchte lengte van een aan- sluitleiding 3,5 m (zonder een eis over afschot of een maximaal aantal 90°-bochten). Indien de 3,5 m wordt overschreden dan dient de aansluitleiding secundair ontspannen te worden volgens de figuur aan de rechterzijde.
Alle toiletten dienen met een 110 mm leiding op de Akavent standleiding T-stuk te worden aangesloten. Volgens de NEN 3215 is het toegestaan de aansluitingen direct tegenover elkaar op de Akavent aan te sluiten (dit is niet toegestaan zonder Akavent).
De NEN 3215 bevat ook enkele maximale totaal- en verdiepingsafvoerstromen die verwerkt mogen worden door een Akavent
standleiding. Hierover kunt u lezen in ons
Technisch Handboek, hoofdstuk 1.2.7 'Akavent
systeemcalculatie'.

Einde van de Akavent standleiding
Aan de onderkant van de Akavent standleiding moet een vereffeningsleiding alle mogelijk opgebouwde druk verwijderen. Op de vereffeningsleiding mogen, buiten de aansluitingsvrije zones, toestellen aangesloten worden. Deze vereffeningsleiding dient ontworpen te worden volgens de figuur hier rechts.
Ontluchting van de Akavent standleiding
De standleidingdiameter dient tot boven het dak te worden gehandhaafd zonder reductie. Uitzonderingen hierop zijn de samengevoegde standleidingen met een gecombineerde ontspanningsleiding. De ontspanningsleidingen van de standleiding mogen 1 m boven het hoogste aansluitpunt gecombineerd worden. Voor het Akaventsysteem is dit is uitsluitend toegestaan indien het inwendige oppervlakte van de gecombineerde ontspanningsleiding groter of gelijk is aan de som van vereiste inwendige oppervlaktes van de afzonderde ontspanningsleidingen.
Het maximale aantal te combineren standleidingen is 8 x 110 mm of 3 x 160 mm waarbij de gecombineerde ontspanningsleiding een diameter dient te hebben volgens de tabel hier rechts. De figuur rechts toont een voorbeeld van 4 standleidingen ø 110 mm met gecombineerde ontluchtingsleidingen.
De doorstroomopening moet ten minste gelijk zijn aan de oppervlakte van de aangesloten ontspanningsleiding. De positionering op het dak van de uitmonding van de dakdoorvoer dient volgens NEN 3215 ontworpen te worden zodat vocht en afval niet kunnen binnentreden.
Van standleiding naar grondleiding
Één of meerdere standleidingen mogen aangesloten worden op de grondleiding mits de capaciteit van de grondleiding groot genoeg is. De maximale capaciteit van een grondleiding is beschreven in de EN 12056-2 en deze is afhankelijk van de diameter en het afschot. De totale afvoerstroom is de gelijktijdige stroom van alle aangesloten lozingstoestellen. In ons Technisch Handboek, hoofdstuk 1.2.7 'Akavent systeemcalculatie' wordt een grondleidingberekening gemaakt.
- Akavent beugeling en verbinding naar Akavent T-stuk

Beugeling
Op het beugelen van de standleiding zijn de standaard regels voor beugeling van toepassing. Het Akavent standleiding T-stuk dient aan de boven- en onderzijde met een vastpuntbeugel verankerd te worden.
Verbindingen naar Akavent T-stuk
De aansluitingen op de Akavent kunnen het beste worden uitgevoerd met de Akatherm snapmoffen. Deze unieke steekverbinding met de extra snapring biedt de volgende voordelen:
- Trekvaste verbinding indien de snapgroef in de aan te sluiten buis is gemaakt.
- Het centreren van de buis in de dichting en zo het extra belasten van deze afdichting als gevolg van het gewicht van de buis tegen gaan.
- Het voorkomen van vervuiling van de dichting door het 'schrapen' over de buis.
De aansluiting aan de bovenzijde kan het beste worden uitgevoerd met een expansiemof om zo de uitzetting van de standleiding op te vangen (zie figuur links).
De zijaansluitingen worden met de standaard snapmof uitgevoerd (zie figuur rechts).

- Minimale afmetingen service-schacht
De minimale afmetingen die een Akavent-systeem benodigt, zijn terug te vinden in de tabel hier beneden.






